Inwijding in het ongeweten weten

Inwijding in het ongeweten weten

 

De auteur van dit kleine traktaatje Inwijding in het ongeweten weten leefde in Groot-Brittannië in de veertiende eeuw en is anoniem gebleven. Er zijn verscheidene speculaties over de identiteit van de auteur, maar in het algemeen wordt aangenomen dat het gaat om een Kartuizer monnik. De Kartuizers zijn monniken die leven volgens het woord monnos: alleen zijn. Zij leven als kluizenaars binnen een gemeenschap. Deze manier van leven is verfilmd in Into great silence over het leven van de monniken van de Grand Chartreuse in Frankrijk.

De monnik laat zich gelden als een mystagoog. Zijn geschriften zijn geen theologie maar een mystagogie: ze zijn bedoeld als een gids op de persoonlijke levensweg. De auteur wil niet op de voorgrond treden, maar alle ruimte maken voor God als de ware geestelijk begeleider. Gaan kennen zoals we door God gekend worden is de grondtoon van de Inwijding. In de Inwijding in het ongeweten weten geeft de monnik enkele handvaten om in de stilte te komen. Wat God in de stilte fluistert, daarover kan de monnik niets zeggen, want dat moet zelf beluisterd worden. De teksten uit de Inwijding staan in italics.

 

Zelfbeschouwing zonder oordeel

Wanneer je je inkeert in jezelf, vraag je dan niet af wat je eerst moet doen, maar schuif alle gedachten terzijde, de goede zowel als de slechte.

Naar jezelf durven kijken zonder oordeel: schuif alle gedachten terzijde, de goede zowel als de slechte. Het is voor velen een levenskunst om het zelfoordeel los te laten. Steeds weer komen er oordelen op in onze gedachten. En wanneer we onszelf niet beoordelen, dan hebben we wellicht een uitgesproken mening over een ander. Contemplatief leven zet een mens met twee benen op de grond en leert ons het leven te accepteren zoals het is. Dit is een meditatieve houding.

Waarschijnlijk is dit een van de redenen waarom de Inwijding in het ongeweten weten wel vergeleken wordt met zen meditatie. In jezelf keren en zonder oordeel alle gedachten observeren en loslaten. Door de praxis van de bewuste aandacht kan de realiteit van het leven zich laten zien; ook in de schaduwzijden en de pijnlijke plekken van het leven. In de bewuste aandacht ligt geen oordeel waarmee we onszelf omlaag trekken, noch een zichzelf prijzen en bevestigen waarmee we onszelf de hoogte insteken. Gelijkmoedigheid.

De zelfwaarneming wordt naakt en daarin ligt de kiem van de godsrelatie geborgen. Dan kunnen we er gevoelig voor worden om onszelf te gaan zien zoals God ons ziet. Dan kan het verlangen naar wie we werkelijk zijn zich laten horen.

 

 Stil gebed als zelfgave

 Bid niet met woorden, behalve als je daar genoegen aan beleeft. En als je toch woorden wilt gebruiken, bekommer je dan niet om de lengte van je gebed; vraag je ook niet af wat het betekent, of het nu een collecte is of een psalm, een hymne of een antifoon, of een ander gebed, liturgisch of privé, in de geest verwoord of luidop gesproken.

Een contemplatieve houding van niet-oordelen kan onder meer ingeoefend worden door het stille gebed, door het lezen van de Schrift, psalmen en mystieke teksten en door het zingen van hymnen. Zij kunnen sporen uitzetten die voor ons nog onbekend zijn. Er kan een perspectiefverandering of bewustzijnsverandering mogelijk worden. Het besef kan tot ons doordringen dat wij door God geschapen zijn, dat wij ten diepste bemind worden door God. Een houding van overgave kan als een hymne in ons gaan zingen: ‘niet mijn wil maar uw wil geschiede.’ ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren.‘ Een houding van niet-oordelen kan ook ruimte geven voor gebed en voor een stil gebed zonder woorden. Het opent de ruimte voor het bidden in stilte en overgave aan God.

Maar zorg ervoor dat in je biddende geest niets anders aanwezig is dan een loutere gerichtheid, reikend naar God en ontdaan van iedere gedachte over God zoals God is in zichzelf of in zijn werken, maar alleen gericht op God, die is zoals God is. Laat God zichzelf zijn, bid ik je, en niets anders. Probeer niet God te peilen met je vernuftig verstand. Maar laat het geloof de grondslag zijn.

Steeds herhaalt de monnik dat gedachten over God losgelaten moeten worden. God is groter dan we ons kunnen indenken. De menselijke vermogens zijn niet in staat om God te kennen of te doorgronden. Het wezen van God is onkenbaar.

Deze loutere gerichtheid, die helemaal in het geloof gegrondvest en geworteld is, mag intellectueel en emotioneel niets anders zijn dan een naakt denken en een blind voelen van je bestaan.

De monnik kan ons inwijden in de stilte van het gebed zonder woorden, waar het denken en het voelen naakt worden. Omdat we niet meer oordelen over alles wat we voelen en ons inbeelden wordt ook ons verlangen naakt. We verlangen er niet meer naar onszelf omlaag te trekken of omhoog te heffen in zelfbespiegelingen die niet ons ware wezen raken. Het verlangen wordt ontbloot van het zoeken naar onszelf.

De herhalingen van het geschrift over het naakt worden van gedachten staan ten dienste van de inoefening; het is als het gebed dat herhaaldelijk gereciteerd wordt ter ondersteuning van het stille gebed. De inoefening herinnert ons eraan niet enkel op ons eigen denken te vertrouwen. Ze ondersteunt een levenshouding waarin minder gewicht wordt gegeven aan alles wat wij beredeneren om het leven te organiseren naar onze eigen maatstaven. Van dat scherpzinnige denken moet de zwaarte weggenomen worden opdat het licht werk wordt, opdat we een nieuw zwaartepunt vinden. Een zwaartepunt dat niet in ons denken ligt, maar in, wat de monnik noemt, het uiterste puntje van de geest, namelijk in ons diepste wezen. Voor sommige mensen is dit een natuurlijke geneigdheid en wordt ze ervaren als een licht werk. Voor anderen is deze geestesgesteldheid een zwaar werk, want het valt moeilijk om het denken te verstillen en het gevoelig te maken voor Gods initiatief. Wij vragen ons wellicht af: bestaat het werkelijk dat God het initiatief overneemt?

In de zelfgave van het stille gebed worden het zelfstandige denken en de eigen willigheid onthecht, opdat God zelf de zwaartekracht wordt die het verstand en de wil naar God toetrekt. Zoals de zwaartekracht een steen naar de aarde toetrekt, zo trekt het verlangen ons in God. Het zwaartepunt van ons denken komt in God te liggen. In plaats van dat wij naar God toe denken om God te begrijpen, vinden wij het zwaartepunt van ons denken in het besef dat God naar ons toe denkt. Namelijk dat God ons ten diepste kent.

Het is alsof je innerlijk aan God zei: “Wat ik ben, God, bied ik U aan, zonder te zoeken naar de eigenschappen van uw wezen, enkel gericht op U, die zijt zoals Gij zijt.” Laat deze duisternis jouw spiegel zijn en jouw geest helemaal omvatten. Denk aan jezelf op geen andere manier dan je denkt aan God; zo ben je, zonder verdeeldheid of verstrooidheid, één met God in de geest.

Hierin vindt de omkering plaats: ik denk niet naar God toe, maar God denkt naar mij toe. In mijn zelfgave aan God vertrouw ik mij toe aan de wijze waarop God naar mij toedenkt en mij ten diepste kent.

 

 Het mystieke besef van het ongeweten weten

Apofatische mystiek heeft altijd een keerzijde. De mystieke keerzijde van het niet-weten is het besef dat God ons diepste wezen is. De monnik spreekt over God als zijnsgrond.

Want God is jouw wezen en in God ben jij wat je bent, niet enkel omdat God de algemene oorsprong en zijnsgrond is, maar ook omdat God in jou jouw oorsprong en jouw zijnsgrond is.

God is oorsprong en zijnsgrond van ons bestaan. Hij is de schepper, boetseerder en wever van mijn leven, zegt psalm 139.

U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder.

Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het tot in het diepst van mijn ziel.

Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim.

Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

Dit mystieke besef dat God de schepper is van mijn lichaam, van mijn diepste wezen en de vormer van iedere dag in mijn leven, dat zo beeldend wordt beschreven in de psalm, is ook de essentie van het gedachtegoed van de Inwijding in het ongeweten weten. God is oorsprong en zijnsgrond van het hele universum. Zoals is uitgedrukt in het scheppingsverhaal: God scheidde dag van nacht, hemel en aarde, water en land. God schiep de mens uit het stof van de aarde en blies de mens levensadem in de neus. God schiep de mens in Gods beeld.

De monnik zegt méér dan dat God oorsprong en zijnsgrond is van het universum. God is niet alleen de schepper van het grootste universum, maar ook de schepper van het kleine en kwetsbare, van iedere mens; God is in jou jouw oorsprong en jouw zijnsgrondGod zelf is jouw wezen. In God ben je wat je bent. Ín jouw. Niet van buitenaf, maar ín jouw. Van binnenuit, als iemand die jouw diepste wezen kent: God ís jouw diepste wezen. De monnik wil dit geloof in Gods scheppingswerk tot beséf laten komen: er weet van hebben dat God mijn nieren vormde en mij weefde in de buik van mijn moeder. Door het stille gebed kan het wonder van mijn bestaan tot besef komen; dit besef wordt geïnterioriseerd totdat het tot in het diepst van de ziel geweten wordt. Een mystiek besef.

Denk daarom in dit gebed aan God, zoals aan jezelf en aan jezelf zoals aan God: dat God is zoals God is, en dat jij bent zoals je bent, zodat je denken niet verdeeld is of verstrooid, maar één met God die alles is.

Het stille gebed is de eenwording met Gods wezen. Voorbij de oordelende zelfbespiegeling kunnen we soms een glimp opvangen van ons diepste wezen. Ons diepste wezen, vertelt de monnik, is God zelf. Ons diepste wezen, is voor God geen geheim. Voor onszelf is ons diepste wezen wel een geheim. We kennen ons en elkaars diepste wezen niet. Daarom is het voelen naakt: er is hier geen sprake van grootste ervaringen maar van de stilte van de oordelende zelfbespiegeling waarin ik mag zijn wie ik in waarheid ben.

Natuurlijk blijft er altijd dit verschil dat God jouw wezen is en jij niet Gods wezen. Want al zijn alle dingen in God als in hun oorsprong en in hun zijnsgrond en al is God in alle dingen de oorsprong en de zijnsgrond, toch is God alleen in zichzelf zijn eigen oorsprong en zijn eigen zijn. Zoals er niets kan bestaan buiten God, zo kan God niet bestaan buiten zichzelf; God is het zijn zowel voor zichzelf als voor alles. Alleen hierin is God onderscheiden van alles dat God het zijn ís zowel voor zichzelf als voor alles; en hierin is God één met alles (en alles in God) dat alle dingen in God hun zijnsgrond hebben en dat God hun aller zijn is.

De monnik spreekt over de wederkerigheid van liefde die in ons diepste wezen is ingeschapen, over de spiegeling van God in ons diepste wezen: niet ik, maar jij. Jíj bent mijn wezen. Jíj bent mijn verlangen. Jíj bent het wiens liefde mij tot aanzien brengt.

Wanneer je op die manier alle diepzinnig gezoek naar de gecompliceerde eigenschappen van Gods of jouw wezen terzijde schuift, zullen je verstand en je hart zonder verdeeldheid in genade één zijn met God. En wanneer je hart en je verstand zuiver en onverdeeld op God zijn gericht, dan zal God je, naakt als je bent, innerlijk raken met genade en je hart voeden met God alleen zoals God is. En dan zal, zij het dan ook slechts ten dele en als in een duistere spiegel zoals het nu eenmaal maar kan in dit leven, je hartsverlangen steeds sterker worden.

Dit verlangen in Gods ogen, die ons in de duistere spiegel van de ziel vol liefde aankijken, vormt de zwaartekracht die ons naar God toetrekt. Zo treden we binnen in het niet-weten, in het mysterie van ons leven.

Kijk daarom blij naar God op en zeg God in je binnenste of luidop: “Wat ik ben, God, bied ik U aan, want Gij zijt dat.” En bedenk dan, zonder bespiegelingen maar gewoon en eenvoudig, dat je bent zoals je bent.

Mystagogische ervaringen in het leven van Etty Hillesum

Mystagogische ervaringen in het leven van Etty Hillesum

 

Etty Hillesum is geboren in Middelburg op 15 januari 1914 en gestorven in Auschwitz, rond 30 november 1943. Zij heeft een dagboek en brieven geschreven, die zijn gebundeld onder de titel “Het verstoorde leven”. Het dagboek begint op 9  maart 1941 en eindigt op 12 oktober 1942. Haar laatste brief is een kort bericht aan een vriendin over haar deportatie, samen met haar ouders en broer, naar Auschwitz op 7 september 1943.

In haar dagboeken en brieven verwoordt ze haar persoonlijke, innerlijke ontwikkeling te midden van de turbulentie van de tweede wereldoorlog en de holocaust. Kenmerkend is de korte duur (2½ jaar) waarin de geschriften zijn ontstaan en de bijzondere omstandigheden, nl. onder de hoge druk van de jodenvervolging in de 2e wereldoorlog. Het spirituele proces dat zich normaal in een mensenleven afspeelt, gebeurt bij haar in een paar jaar.

Op 15 juli 1942 werkt ze bij de Joodse raad. Op haar verzoek wordt ze op 30 juli overgeplaatst naar de afdeling ‘sociale verzorging doortrekkenden’ in kamp Westerbork. Op 5 december wordt ze ziek en verblijft in Amsterdam en op 5 juni 1943 mocht ze terug naar het kamp. Op 5 juli komt er een einde aan haar bijzondere status en wordt ze kampbewoonster. Haar ouders en broer zijn op 20 of 21 juni opgepakt. Op 7 september worden ze samen op transport gesteld naar Auschwitz.

 

Innerlijke ontwikkeling

Op jonge leeftijd al verlangt zij ernaar dat iemand haar bij de hand neemt en haar leert hoe ze moet leven. Wanneer ze begint met het schrijven van haar dagboek, heeft ze juist Julius Spier ontmoet, een psycholoog die de handpalmen van mensen kan lezen. Hij is een man die evenwichtig in het leven staat. Zij leert van hem om zich naar binnen te keren en te luisteren naar haar zieleroerselen. Geconfronteerd met een heen en weer slingeren tussen dieptepunten, twijfels en hoogtepunten, begint zij aan haar eigen innerlijke ontwikkeling en komt ook langzamerhand open te staan voor het innerlijk van andere mensen.

Zij is een vrouw die verlangt naar de ontplooiing van haar leven. Ze voelt diep in zichzelf een sterke scheppingsdrang, vooral wanneer ze naar de natuur kijkt, de jasmijn en de lucht. Ze voelt dat ze geboren is om kunstwerken te maken, om schrijfster worden.

In deze tijd begint de realiteit van de holocaust door te dringen. Mensen worden opgepakt, er komen berichten over de concentratiekampen en de leefruimte van de joden wordt drastisch ingeperkt. Etty blijft zoeken naar de zin van het leven. Het spirituele proces dat zich normaal in een mensenleven afspeelt, gebeurt bij haar in een paar jaar. Een zoektocht naar innerlijke vrede.

 

14 juni 1941

Weer arrestaties, terreur, concentratiekampen, willekeurig weghalen van vaders, zussen en broers. Men zoekt naar de zin des levens en vraagt of het überhaubt nog zin heeft. Maar dit is een zaak, die men alleen met zichzelf en God moet uitmaken. En misschien heeft ieder leven zijn eigen zin en duurt het een heel leven die zin te vinden. Nu ben ik tenminste alle samenhang met de dingen en het leven kwijt.

 

Godsbeleving

Zij is een joodse vrouw, maar leeft het leven van rechtenstudente in Amsterdam. Daarnaast studeert ze ook de Russische taal: haar moeder is afkomstig uit rusland. Ze leest het oude en het nieuwe testament. Ze leest de autobiografie van Augustinus, de kerkvader, die beschrijft hoe hij God buiten zichzelf heeft gezocht om uiteindelijk God te ontdekken in zichzelf als degene die hem inniger nabij is dan hij zichzelf nabij kan zijn. Ook Etty ontdekt God in zichzelf en beschrijft deze ervaring in haar eigen woorden: In mij is een heel diepe put en daarin zit God. Ze wil God opdelven uit de diepte van haar zieleroerselen. De put waarin God zit, bedekt onder rotsblokken, wordt in haar een levende bron.

 

Dinsdag 26 augustus 1941

Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden. Ik stel me voor, dat er mensen zijn die bidden met hun ogen naar de hemel opgeheven. Die zoeken God buiten zich. Er zijn ook mensen die het hoofd diep buigen en in de handen verbergen, ik denk, dat die God binnen in zich zoeken.

Haar Godsbeleving en zelfbeleving worden gevoed door de uitspraak in het oud-testamentische boek Genesis: dat God de mens heeft geschapen in Gods beeld en gelijkenis. Dit beeld kan ook verstoord raken.

 

24 augustus 1943

Als ik denk aan die gezichten van het groen geüniformeerde, gewapende begeleidingspeloton, mijn God, die gezichten! Ik heb ze stuk voor stuk bekeken, verdekt opgesteld achter een venster, ik ben nog nooit van iets zo geschrokken als van deze gezichten. Ik ben in de knoei geraakt met het woord, dat het leidmotief van mijn leven is: En God schiep de mens naar zijn evenbeeld. Dat woord beleefde een moeilijke ochtend met mij.

Juist het beeld van God in zichzelf en in iedere mens wil zij behoeden om niet ten onder te laten gaan door de haat en het geweld waarmee zij geconfronteerd wordt. Het beeld van God in haar mag niet ten onder gaan door het lijden wat ze samen met anderen doormaakt. De vraag die vele mensen zich stellen: waarom laat God dit toe, waarom grijpt God niet in wordt voor haar een grote acceptatie van de machteloosheid van God.

 

12 juli 1942

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me heen trokken. Ik zal je een ding beloven God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen voor de toekomst niet als even zovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen we ook onszelf. En dat is het enige dat we in deze tijd kunnen redden en ook het enig waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording; jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat je ons niet kunt helpen, maar dat we jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.

Door haar ervaringen moet ze erkennen dat God niet almachtig is; in de zin dat God kan ingrijpen in de geschiedenis. Het is een van de redenen waarom mensen zich van het geloof afkeren: hoe kan God dit toelaten? Etty groeit naar een ander antwoord. Voor haar kan er plaats zijn voor vele tegenstellingen: de mooie bloeiende jasmijn en de honger; een ellendige vernietiging en God.

 

2 juli 1942

En leven wij niet iedere dag een heel leven en doet het er veel toe of we enige dagen korter of langer leven?  Ik ben iedere dag in Polen, op de slag(cht)velden, zo kan men het noemen, er dringt zich soms een visioen van gifgroene slagvelden aan me op, ik ben bij de hongerenden, bij de mishandelden en bij de stervenden, iedere dag, maar ik ben ook bij de jasmijn en bij dat stukje hemel achter mijn venster; er is voor alles plaats in één leven. Voor een geloven aan God en voor een ellendige ondergang.

Geleidelijk komt zij tot het besef dat zij zelf verantwoordelijk is om Gods beeld in zichzelf te bewaren; om in deze moeilijke tijden de liefde tot de naaste in zichzelf te bewaren. Zij beseft dat ze ook de Duitse soldaten in haar gebed moet herdenken. Ze komt op het spoor van de innerlijke vrede, dat haar verdere leven diepgaand zal beïnvloeden.

 

Zaterdag 20 juni 1942

Ik geloof aan God en ik geloof aan de mensen en ik durf het langzamerhand eerlijk te zeggen zonder valse schaamte. Het leven is moeilijk, maar dat is niet erg. Men moet beginnen zijn ernst ernstig te nemen en de rest komt vanzelf. En ‘werken aan zichzelf’ is heus geen ziekelijk individualisme. En vrede kan alleen een echte vrede worden later, wanneer eerst ieder individu in zíchzélf vrede sticht en haat tegen medemensen, van wat voor ras of volk ook, uitroeit en overwint en verandert in iets, dat geen haat meer is, misschien op den duur wel liefde, of is dat misschien wat teveel geëist? Toch is het de enige oplossing.

 

Mystiek

Haar proces om tot innerlijke vrede te komen is een mystiek proces. Mystiek, schrijft ze, moet rusten op een kristalheldere eerlijkheid. (19 juni 1942). Het voornaamste instrument tot innerlijke vrede is een kristalheldere eerlijkheid. Met deze kristalheldere eerlijkheid kan zij haar innerlijk leven polijsten waardoor zij trefzeker kan zien wie zij is: een hol vat waar de wereldgeschiedenis doorheen spoelt. (15 juni 1941) De holte van het vat wordt bij Etty de resonansruimte van het lijden van de mensheid in de concentratiekampen. Zij probeert de vragen van het lijden van de mens in alle eerlijkheid in de ogen te kijken. Eerlijkheid heeft ze ook ten aanzien van zichzelf: haar eigen kleinheid ten opzichte van de wereldgeschiedenis.

 

15 juni 1941. Zondagochtend 12 uur.

We zijn maar holle vaten, waar de wereldgeschiedenis doorheen spoelt.

Gisteren heb ik één moment gedacht dat ik niet verder kon leven, dat ik hulp nodig had. Ik was de zin van het leven en de zin van het lijden kwijt, ik had het gevoel onder een geweldig gewicht ‘zusammen zu brechen’, maar ook hier heb ik iets doorgevochten, waardoor ik opeens weer verder kan, sterker dan vroeger. Ik heb het ‘lijden’ der mensheid vlak en eerlijk in de ogen proberen te kijken, ik heb me ermee uiteengezet, of liever: iets in mij heeft zich ermee uiteengezet, op veel wanhopige vragen zijn antwoorden gekomen, de grote zinloosheid heeft weer plaatsgemaakt voor iets meer orde en samenhang en ik kan weer verder. Het was weer even, een korte maar hevige slag waar ik een ondeelbaar beetje rijper uit tevoorschijn ben gekomen.

Ik zeg dat ik me uiteengezet heb met ‘Het lijden der Mensheid’ (ik griezel nog steeds van die grote woorden) maar dat is het toch eigenlijk niet. Ik voel me veeleer een klein slagveld, waar de vragen of een enkele vraag van deze tijd uitgevochten wordt. Het enige wat je kunt doen is je deemoedig ter beschikking stellen om jezelf tot slagveld te laten maken. Die vragen moeten toch een onderdak hebben, moeten toch een plek vinden waar ze kunnen strijden en tot rust komen en wij, arme kleine mensen, moeten onze innerlijke ruimte voor ze openstellen en niet weglopen. Ik ben misschien, wat dat betreft, wel heel gastvrij, het is daar soms een allerbloedigst slagveld bij mij en af en toe een overgrote vermoeidheid en zware hoofdpijn zijn de tol hiervoor. Maar nu ben ik alweer alleen nog maar mezelf, Etty Hillesum, een vlijtig studente in een vriendelijke kamer met boeken en een vaas margrieten. Ik loop weer in m’n eigen smalle bedding en het contact met ‘Mensheid’, ‘Wereldgeschiedenis’ en ‘Lijden’ is weer afgebroken. Dat moet ook, anders zou een mens helemaal gek worden. Men mag zich niet steeds verliezen in grote vragen, men kan niet steeds slagveld zijn, men moet iedere keer weer de eigen kleine grenzen om zich heen voelen, waarbinnen men dan het eigen kleine leven nauwgezet en bewust verder leeft, steeds weer gerijpt en verdiept door de ervaringen die men in die haast ‘onpersoonlijke’ momenten van contact met de hele mensheid opdoet.

 

Mystiek van het medelijden

Mystiek is een proces waarin een mens gaat ervaren dat God de uiteindelijke grond is van mijn bestaan. In een mystiek van het medelijden is God de kracht die in mij meelijdt met de andere mens. Nu wil ik het wagen om de mystiek van Julianne van Norwich (1342- na 1413) te vergelijken met dat van Etty. Beiden worden in hun spiritualiteit bewogen door een kristalheldere eerlijkheid naar het lijden van de mensheid. Bij Julianne vormt dat de kern van haar theologie. Bij Etty vormt het de kern van haar geleefde ervaring.

 

Julianne van Norwich, visioen over de passie van Christus

Het belangrijkste punt dat bij het zien van deze Passie moet opgemerkt worden, is immers de bedenking en het besef dat het God is die hier lijdt. Zijn godheid gaf zijn mensheid immers de kracht, om uit liefde méér te lijden dan alle mensen samen zouden kunnen. Zo was hij aan de ene kant de meest kwetsbare en weerloze van alle mensen, en aan de andere kant de sterkste, met de grootste capaciteit om te lijden. En hij leed om de zonden van elke mens die gered zal worden. Hij zag van ieder het leed, de eenzaamheid en de angst, en maakte deze in zijn liefde en medelijden tot de zijne.

 

Etty Hillesum, 11 juli 1942

Wat is dat toch op het ogenblik in mij? Zo’n lichte en bijna speelse vrolijkheid? Gisteren was het een zware, een heel zware dag, waarin innerlijk veel doorleden en verwerkt moest worden. En ik héb weer alles wat op me is afgestormd, verwerkt en ik kan alweer iets meer dragen dan gisteren. En dat geeft me waarschijnlijk die innerlijke blijmoedigheid en rust: hoe ik iedere keer weer weet hoe ik klaar kom met de dingen, helemaal alleen klaar en hoe mijn hart daarbij niet uitdroogt van verbittering en hoe ook mijn momenten van diepste treurigheid en ook van wanhoop hun vruchtbare sporen in me achterlaten en me sterker maken.

 

17 september donderdagmorgen 8 uur. 1942

Het levensgevoel is zo sterk en groot en rustig en dankbaar in me, dat ik maar helemaal niet proberen zal het in één woord uit te drukken. Er is zo’n volmaakt en volkomen geluk in me, mijn God. Het is toch weer het beste uitgedrukt met zijn woorden: ‘ruhen in sich’. En hiermee is misschien het meest volkomen uitgedrukt mijn levensgevoel: ik rust in mijzelve. En dat mijzelve, dat allerdiepste en allerrijkste in mij waarin ik rust, dat noem ik ‘God’.

‘Hineinhörchen’, ik wilde dat ik daar een goede Hollandse uitdrukking voor kon vinden. Eigenlijk is mijn leven één voortdurend ‘hineinhörchen’ in mijzelf, in anderen, in God. En als ik zeg dat ik ‘hinein hörch’, dan is het eigenlijk God die in mij ‘hinein hörcht’. Het wezenlijkste en diepste in mij dat luistert naar het wezenlijkste en diepste in de ander. God tot God.

 

13 oktober 1942

Sommige mensen draag ik in me als bloemknoppen en ik laat ze in me openbloeien. Anderen draag ik in me als zweren, zolang tot ze openspringen en etteren. “Vorwegnehmen”. Ik weet hier geen goed hollands woord voor. Zoals ik hier nu lig, sinds gisterenavond, verwerk ik vast een beetje van het vele lijden dat er over de hele wereld verwerkt moet worden. Ik breng vast een beetje van het lijden van de komende winter onderdak. In een keer gaat dat toch niet. Het wordt een zware dag voor me vandaag. Ik blijf maar stil liggen en “nehme” iets “vorweg” van alle zware dagen die er nog komen zullen. Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.

Kwetsbaar verlangen

Kwetsbaar verlangen

 

Kwetsbaar verlangen

Voor mijn toetreding tot het ambt van remonstrants predikant schreef ik het paper:

Kwetsbaar verlangen: mystagogische oriëntering in de geestelijke verzorging

Het paper biedt een mystagogische oriëntering in de geestelijke verzorging. In deze oriëntering komen drie vrouwen aan het woord: Julianne van Norwich (1342), Bieke Vandekerckhove (1969) en Petra Galama (1969).  De vrouwen hebben mystagogische ervaringen.

Een link naar het gehele paper kunt u vinden op:

http://www.arminiusinstituut.nl/people/view/22

Mystagogie

Mystagogie

 

Eigenheid in contemplatief luisteren

In een driedaagse bijeenkomst ga jij je eigenheid als geestelijk begeleider verkennen. Je leert vanuit stilte te luisteren naar je gevoelens: welk verlangen ligt daaronder en hoe werkt God daarin? In de veiligheid van de groep gaan we dat proces aan middels contemplatieve werkvormen, zoals mystieke tekstlezing, labyrint, rituelen, meditatie, autobiografisch schrijven en praktijkoefeningen.

De groei in bewustwording van je eigenheid staat ten dienste van aandacht voor het proces van de ander. Daarom besteden we in deze training ook aandacht aan het oefenen in luisteren naar de begeleide vanuit de ontdekking van je eigen grondhouding.

Verdiepte verkenning van je eigenheid als geestelijk begeleider
Oefenen in een grondhouding van contemplatief luisteren
Omgaan met het onbekende eigene dat zich aandient op de geestelijke weg
Lef en zin ervaren in het gaan van nieuwe wegen, of het verdiepen van vertrouwde wegen in je praktijk

Meer info: PThU, eigenheid in contemplatief luisteren

Meerdaagse in het mooie en rustige Steijl (bij Venlo) aan de Maas
Data: maandag 6 september 14.00 t/m woensdag 8 september 15.30 uur
Plaats: St. Michaël, St. Michaëlstraat 7, Steijl